banner
Line
Languages:                                
English / engels    
Dutch / nederlands
Line
Gardensafari Search


[Alle foto's hier zijn thumbnails. Klik op een thumbnail om de foto's in groter formaat te tonen.]

Line

Snuitkevers (Curculionidae)

De snuittorren kenmerken zich vooral door een duidelijk zichtbaar 'snuitje', hoewel dat bij sommige soorten nauwelijks opvalt. De meeste snuittorren zijn klein tot zeer klein en een aantal snuittorren komt veel in tuinen voor.

In West-Europa leven niet minder dan 700 snuitkeversoorten. Daar zitten veel heel kleine beestjes bij, die nauwelijks op naam zijn te brengen. Maar ook de wat grotere soorten lijken veel op elkaar. Tot de snuitkevers behoren ook de boorkevers, die hun eitjes leggen in onrijpe vruchten als eikels en hazelnoten. Als in de herfst de vruchten van de boom afvallen, komen de larven tevoorschijn. Ze graven zich een holletje in de grond en overwinteren daar. Die boorkevers, ook wel boorders genoemd, hebben verreweg de langste snuitjes. En die zijn vaak nog krom ook. Op eik vinden we vooral de Eikelboorder hieronder. Het snuitje is bij het vrouwtje meestal even lang als het lichaam. Het mannetje heeft een korter snuitje. Zoals veel snuitkevers een erg kleine soort met een lengte van 4 tot soms 8 mm. Een erg gewone soort in geheel Europa, Noord-Afrika en Turkije. Trouwens: de naam Eikelboorder wordt wel voor meer (aanverwante) soorten gebruikt, net als bijvoorbeeld de aanduiding wesp of mug.

Eén van de snuitkevers die we Eikelboorders noemen: Curculio glandium.

Het snuitkevertje links heeft een iets korter snuitje dan de eikelboorder hierboven, maar het is nog steeds een joekel. Het is één van de bloesemsnuitkevers die je veel ziet in het voorjaar. Hij heet eigenlijk Furcipus rectirostris, maar de naam Anthonomus rectirostris wordt ook nog heel vaak gebruikt. Soms is er bijna geen informatie over een soort te vinden. Dat geldt bijvoorbeeld voor Magdalis ruficornis rechtsonder. Het enige dat we hebben kunnen vinden is dat de larve leeft op Sleedoorn, Meidoorn en Wilde Appel. En die informatie geven we hier dan maar door. Als iemand nog meer info heeft, dan houden we ons aanbevolen.

Anthonomus rectirostris

Links: Furcipus rectirostris heeft een iets korter snuitje dan de eikelboorders. Rechts: van deze Magdalis ruficornis weten we nagenoeg niets.

Hieronder zie je een snuittor die uitsluitend op de gele lis (Iris pseudacorus) zou leven. In de zomer zie je hem soms massaal in de bloemen van de gele lis. Maar in onze tuin is hij ook geïnteresserd in Irissen en Baardirissen. Waar en in welke vorm het dier overwintert hebben we niet kunnen achterhalen. Ook is ons weinig bekend van een eventuele Nederlandse naam, al ligt Lissenboorder wel erg voor de hand natuurlijk. E.J. Weeda heeft hem in de Ecologische Flora kennelijk Lissnuitkever genoemd, met dank aan Benno te Linde voor dat feit. De wetenschappelijke naam wordt ook wel geschreven als Mononychus punctum-album.

Hoewel hij ook Lissnuitkever wordt genoemd, hebben we deze kever maar de Lissenboorder gedoopt. Hij heet eigenlijk Mononychus punctumalbum.

Linksonder een heel algemeen kevertje dat we in geheel Europa en in Noord-Amerika kunnen aantreffen. Met een lengte van 2 tot 4 mm een heel erg klein gevalletje. De larven eten van klaverzaden, waarbij ze bijna uitsluitend de Witte Klaver aanvallen. De volwassen dieren kunnen op meer planten gevonden worden. Het hele geslacht Tychius (ook wel Miccotrogus genoemd) bestaat uit een flink aantal sterk op elkaar gelijkende zwarte kevertjes, waarvan de larven allemaal van klavers leven. Sommige mineren zelfd klaverblaadjes. Rechtsonder nog een heel kleine soort, Ischnopterapion virens, vroeger Apion virens genoemd. Dit geslacht bestaat uit meerdere, sterk gelijkende soorten: zeer klein, blauwachtig zwart, maar soms zwartachtig blauw, met een middellange snuit en uitpuilende ogen. Het kevertje is heel veel te vinden op het Hazepootje (Trifolium), een klaverachtig plantje. De determinaties danken wij aan Frank Koehler, Vitali Nagirnyi en Rob Westerduijn.

Links: de larven van Tychius picirostris vinden we in de zaaddozen van Witte Klaver. Rechts: een erg klein snuittorretje dat op het Hazepootje leeft: Ischnopterapion virens, ook wel Apion virens genoemd.

Hieronder is een Apion frumentarium, ook wel bekend als Apion miniatum. Het is een middlegrote rood-oranje kever, ongeveer 3,3-4,5mm lang.

Menierode Zuringspitsmuisje (Apion frumentarium) is een prachtig en relatief makkelijk fotomodel.

In het geslacht Sitona vinden we ook een heel aantal, soms sterk op elkaar gelijkende soorten. De soort hieronder zou de Klaversnuitkever kunnen zijn, maar daarvan zijn we beslist niet zeker, want in dit geslacht vinden we meerdere behaarde soorten en de meeste zijn bruin. De Klaversnuitkever vinden we niet alleen in Europa, maar ook in Azië en Noord-Amerika. Het is een lastige soort in de teelt van alfalfa.

We denken dat dit de Klaversnuitkever (Sitona hispidulus) is, maar zijn daarvan niet zeker.

Hieronder een neefje van de Klaversnuittor. Kennelijk een oud baasje, want hij is helemaal kaal. We zijn er niet in geslaagd om de soort vast te stellen, dus moeten we het voorlopig doen met het laten zien van de foto's zonder commentaar. Wie een idee heeft over de exacte soort, stuurt ons natuurlijk snel een mailtje.

Een ons nog onbekend kaal neefje van de Klaversnuittor, dus een Sitona sp. Kent iemand hem?

De 15 leden van het geslacht Phyllobius in de Benelux zijn alleen door deskundigen uit elkaar te houden. Niet alleen lijken de dieren veel op elkaar, ze zijn qua kleur ook allemaal variabel: groen tot groenig bruin. Het 'snuitje' is hier veel korter en ook lang niet zo dun als bij de boorder hierboven. De larven van de verschillende soorten leven op en in de grond van plantenwortels, de volwassen kevers eten vooral bladeren van kruidachtige planten.

Deze twee foto's laten zien hoe variabel de meeste groene snuittorren zijn. Hier Phyllobius maculicornis.

Groene snuittorren zijn eigenlijk zwart met een groene laag van kleurschubbetjes. Die schubbetjes laten heel gemakkelijk los en dan komt het zwarte eronder naar voren. In onze tuin komt de snuittor hieronder verreweg het meeste voor. Het is een soort uit het geslacht Polydrusus (=Polydrosus). Deze soorten lijken heel erg op de Phyllobius-soorten hierboven. Het verschil zit in de voorpoten. De Phyllobius-soorten hebben op het grote bovengedeelte een soort tanding, bij de Polydrusus-soorten is dat gedeelte geheel glad. De soort hieronder is één van de weinige soorten met een Nederlandse naam: het is de Groene Struiksnuittor, die overigens meer in berken dan op struiken is te vinden. Verse exemplaar zijn fantastisch mooi, heldergroen gekleurd. Maar bij oudere exemplaren vervaagt dat groen tot een onbestemd grijs-blauwgroene iets. Wij danken Schott Laurent en Frank Koehler voor hun determinatie.

De Groene Struiksnuittor (Polydrusus sericeus) verliest heel vlug veel van zijn groene kleurschubbetjes.

De meeste van deze Polydrusus soorten zijn groen, maar lang niet allemaal. Er zijn namelijk ook bruinige soorten, zoals hieronder. De lengtebanden die over de dekschilden lopen met de zwarte vlekken die daarin zo mooi staan gerangschikt maken deze soort tot Polydrusus cervinus. Hij is ongeveer even klein als de groene soorten en leeft op heel veel bomen en struiken, hoewel hij een duidelijke voorkeur heeft voor berken. Dit is in geheel Europa een doodgewone soort. Recentelijk is hij ook in Canada aangetroffen. De close-ups laten een toch wel mooi kevertje zien, ook al is 't baasje maar klein.

Nog een Polydrusus-soort en deze keer een bruine: Polydrusus cervinus, die ook bekend staat als Polydrosus cervinus.

Het kevertje hieronder komt uit een geslacht van kleine snuitkevers, met een korte, brede snuit. De meeste soorten zijn bruin. De diertjes zijn gemakkelijk te herkennen aan het eivormige lichaam en de diep uitgesneden band achteraan de kop, die meteen na de ogen begint. Het op naam brengen van de vele soorten is echter veel moeilijker. Dat gelt niet voor de soort hieronder, want die heeft aan het begin van de dekschilden een duidelijk zwart streepje. De wetenschappelijke soortnaam betekent dan ook zo veel als "de zwartgestreepte". Net als veel andere kevers kunnen ze hun bruine kleur al snel verliezen. Ze zien er dan vaak haveloos uit en zijn veel lastiger te determineren. De kevertjes zijn 4 tot 6 mm lang. Ze kunnen niet vliegen, omdat de dekschilden grotendeels met elkaar zijn vergroeid. Ze zijn vooral 's nachts actief. Overdag wordt roerloos gerust. Bij gevaar laten ze zich domweg op de grond vallen. De volwassen kevers overwinteren, meestal op de grond in lang gras of tussen dode bladeren. Daarna, eind april, worden de voedselplanten opgezocht. Daarbij is het kevertje weinig kieskeurig: allerlei naaldbomen worden op prijs gesteld, maar ook loofbomen als de beuk zijn gewild. Wel heeft het beestje een uitgesproken voorkeur voor zeer jonge boompjes van 2 tot 3 jaar oud. De kever en later de larven vreten aan knoppen en pas ontluikende naalden en blaadjes en kunnen in de bosbouw erg schadelijk zijn. Maar omdat ze nauwelijks opvallen, wordt veel van de vreetschade die ze aanrichten aan andere, vooral grotere en meer opvallende soorten toegerekend, zoals de Dennensnuitkevers. Met dank aan Guido Bonamie en Boris Büche voor de determinatie.

Een klein, bol en bruin kevertje: Strophosoma melanogrammum.

Ook in het geslacht Strophosoma vinden we heel veel sterk op elkaar lijkende kleine kevertjes. De soort linksonder lijkt heel sterk op de soort hierboven, maar mist het zwarte streepje op de naad van de dekschilden. Welke soort het precies betreft is duister, maar zowel Vitali Nagirnyi als Rob Westerduyn hebben al veel gepresteerd, door het beestje in een geslacht onder te brengen. De foto is gelukkig wel mooi. Rechtsonder een soort met iets van een tekening op zijn dekschilden. Het is Strophosoma capitatum. Hij komt vaak samen met S. melanogrammum voor, heeft dezelfde levensstijl is wordt ook als zeer schadelijk in de bosbouw beschouwd. Zou ook schadelijk zijn ten aanzien van hazelnoten. Is ook in geheel Europa een veel voorkomende soort. De determinatie van deze soort staat echter niet geheel vast. Het zou ook nog kunnen gaan om Strophosoma retusum.

Tot hetzelfde geslacht Strophosoma behoren deze kleine rakkers: links een niet geïdentificeerde soort, rechts Strophosoma capitatum.

Veel groter dan de soorten hierboven is de grote dennensnuitkever. Ook hier zijn verschillende op elkaar lijkende soorten van. Maar de meeste soorten zijn goed vanaf foto's te herkennen. De grote dennensnuitkever komt het meest in Nederland voor. Het diertje kan schadelijk zijn in de bosbouw, vooral in pas aangeplante dennen. Het is een mooi kevertje met een prachtig 'snuitje'.

Een reus onder de snuitkevers: de grote dennensnuitkever (Hylobius abietis).

Gardensafari Moths and Butterflies app for iPhone Gardensafari app
'Moths and Butterflies'
for iOS8 is available at the app store.



Line
Gardensafari Search

Line
        © Copyright 1998-2017 www.gardensafari.net (Hania Berdys)